Cijfers en onderzoek

Onderstaande cijfers zijn afkomstig uit peer-reviewed onderzoek en officiële publicaties. Ze worden door Nederlandse gender-klinieken niet prominent gecommuniceerd aan patiënten — terwijl ze cruciaal zijn voor een weloverwogen beslissing.

Bronnen zijn steeds vermeld. Klik op de bron voor het volledige onderzoek. Achtergrond bij deze cijfers lees je op onze pagina over genderdysforie.

30%

Van de mensen die een geslachtsverandering ondergaan, rapporteert op lange termijn aanzienlijk transspijt of functioneringsproblemen.

Bron: Dhejne et al., 2011, PLOS ONE

80%

Van de kinderen met genderdysphorie geeft de genderdysphorie op als ze de puberteit bereiken zonder medische interventie.

Bron: Steensma et al., 2013, JAACAP

4,4×

Hogere suïcidaliteit bij transgenders vergeleken met de algehele bevolking — ook ná transitie. Transitie lost het psychiatrische risico niet op.

Bron: Dhejne et al., 2011, PLOS ONE

70%

Stijging in aanmeldingen bij genderklinieken in Nederland in de periode 2010-2020, met een disproportionele toename bij meisjes.

Bron: UMC Utrecht / VUMC genderpoli, jaarrapportages

1%

Officieel gerapporteerd transspijt-percentage door Nederlandse klinieken — maar onderzoek laat zien dat het werkelijke percentage aanzienlijk hoger ligt door verlies van follow-up.

Bron: SEGM — Society for Evidence-Based Gender Medicine

13×

Hoger risico op osteoporose bij personen die op jonge leeftijd puberteitsremmers gebruikten, door geblokkeerde botmineraaldichtheidsontwikkeling.

Bron: Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism, 2020

98%

Van de jongeren die als kind puberteitsremmers kreeg, gaat door naar crossseks hormonen — wat de onomkeerbaarheid van vroege interventie aantoont.

Bron: De Vries et al., 2011, JAACAP

6.000+

Leden van de Reddit-gemeenschap r/detrans in 2023 — mensen die hun transitie hebben teruggedraaid of overwegen. De gemeenschap groeit snel.

Bron: Reddit r/detrans (publiek)

2024

Het Cass Review in het VK concludeerde dat de kwaliteit van bewijs voor medische transitie bij minderjarigen "opmerkelijk zwak" is en dat er onvoldoende follow-up is.

Bron: Cass Review — Independent Review (VK, 2024)

41%

Van transgenders heeft ooit suïcidepogingen ondernomen. Dit percentage verandert niet significant na transitie, wat wijst op diepliggende psychische oorzaken.

Bron: Williams Institute, UCLA School of Law, 2019

50%

Van detransitioners rapporteert dat sociale druk of het sociale "trans"-klimaat een rol speelde in hun beslissing om te transitioneren.

Bron: SEGM — Littman, 2021

Waarom zijn deze cijfers niet bekend?

Veel van deze cijfers worden niet actief gecommuniceerd door Nederlandse gender-klinieken in hun voorlichtingsmateriaal. Patiënten worden daardoor niet altijd volledig geïnformeerd over de risico's, de onomkeerbaarheid en de kans op transspijt. Dit is een structureel gebrek aan informed consent.

Wil je meer onderzoek lezen? Bezoek onze bronnenlijst of ga direct naar SEGM.org voor een overzicht van wetenschappelijke publicaties.

Waarom cijfers in dit veld lastig te interpreteren zijn

Getallen over spijt en detransitie lijken eenduidig, maar zijn dat zelden. Een groot deel van de mensen verdwijnt na verloop van tijd uit beeld (loss to follow-up): ze keren niet terug naar de kliniek, verhuizen, of haken af. Wie ontevreden is of detransitioneert, doet dat bovendien vaak niet bij dezelfde kliniek die de transitie begeleidde — en valt daardoor buiten de officiële tellingen. Klinische cohorten bestaan daarnaast vooral uit mensen die in zorg bleven; juist degenen die afhaakten, ontbreken in de statistiek. Dat soort selectie drukt gerapporteerde spijtpercentages naar beneden, los van wat er werkelijk speelt.

Daar komt de tijdsdimensie bij. Veel onderzoek heeft een korte follow-upduur, terwijl spijt en de stap naar detransitie zich vaak pas na vijf, tien jaar of langer aandienen. Een studie die mensen maar een paar jaar volgt, mist die latere gevallen per definitie. De Cass Review wees er om die reden op dat de bewijsbasis voor medische transitie bij minderjarigen zwak is en dat structurele langetermijn-follow-up grotendeels ontbreekt. Vergelijkbare beperkingen gelden voor onderzoek naar puberteitsremmers.

Verschillende definities, verschillende uitkomsten

Een tweede reden voor uiteenlopende cijfers is dat onderzoekers niet hetzelfde meten. "Spijt", "detransitie" en "stoppen met behandeling" worden verschillend afgebakend. De ene studie telt alleen wie formeel om operatief herstel vraagt; een andere telt iedereen die stopt met hormonen, ongeacht de reden — soms door bijwerkingen of kosten, niet door spijt. Ook detransitie zelf kent gradaties: sociaal, medisch of chirurgisch terugdraaien zijn heel verschillende dingen. Wie de definitie verandert, verandert het percentage. Daardoor zijn cijfers uit verschillende bronnen lang niet altijd één-op-één vergelijkbaar.

Dit betekent niet dat cijfers waardeloos zijn, maar wel dat ze met de bijbehorende methode gelezen moeten worden. Een laag gerapporteerd percentage kan net zo goed wijzen op een korte follow-up of een enge definitie als op weinig spijt. Achtergrond bij het verschijnsel zelf staat op de pagina's over detransitie en spijt van transitie.

Oproep aan ouders, familie en vrienden

Doe mee aan de enquête voor ouders, familie en vrienden

Ben je ouder, familielid of vriend van iemand met een gendervraag? Deel je ervaring in de enquête van zustersite Transgendercheck. Anoniem — en je helpt er andere naasten mee.

Naar de enquête →

Onderzoek en cijfers

cijfers

TransRegret.org: waarom officiële spijtcijfers (0,3–1%) niet kloppen (2026)

Het Amerikaanse informatieplatform TransRegret.org analyseert hoe de breed geciteerde spijtcijfers van 0,3–1% tot stand komen. De rekensom blijkt fragiel: vervolgstudies verliezen 25–50% van de patiënten. De r/detrans community telt inmiddels 60.000+ leden. Onafhankelijke enquêtes en het onderzoek van Lisa Littman (2021) komen uit op 12–30% spijt of ambivalentie.

Lees meer →
Beyond Regret: grote studie van 957 detransitioners onthult vier profielen (2026)
wetenschap

Beyond Regret: grote studie van 957 detransitioners onthult vier profielen (2026)

Een studie van Kinnon MacKinnon en collega''s (gepubliceerd januari 2026) analyseerde 957 mensen die detransitioneerden. De onderzoekers identificeerden vier duidelijk onderscheiden profielen: met diepe spijt, zonder spijt, willen maar kunnen niet, en onderbroken transitie met behoud van trans-identiteit. De studie pleit voor genuanceerdere klinische praktijken die rekening houden met deze diversiteit.

Lees meer →
Hoeveel mensen detransitioneren? Wat het onderzoek zegt — en wat het niet zegt
cijfers

Hoeveel mensen detransitioneren? Wat het onderzoek zegt — en wat het niet zegt

Detransitie-percentages variëren sterk per studie: 1–5% bij klinische follow-up na hormonen, tot 20–30% bij langdurige follow-up van kinderen met genderdysforie. De discrepantie verklaard door definitieverschillen, follow-up duur, en de populatie die gemeten wordt. Een systematische review (Journal of Sexual Medicine, 2025) analyseerde 15 studies.

Lees meer →
cijfers

Psychiatrische comorbiditeit stijgt van 10% naar 61% (mannen) na medische transitie

Grootschalig onderzoek dat door Stats For Gender wordt aangehaald, toont aan dat psychiatrische comorbiditeit na medische gendertransitie sterk stijgt: bij mannen van 9,8% naar 60,7% (zesvoudig), bij vrouwen van 21,6% naar 54,5% (ruim verdubbeld). Dat is niet 'medische transitie hielp niet' — dat is een actieve verergering van psychische comorbiditeit na de behandeling. Een bevinding die het centrale therapeutische argument voor het affirmatieve model fundamenteel ondergraaft.

Lees meer →
Non-binaire genderidentiteit bij jongeren: toename en betekenis
analyse

Non-binaire genderidentiteit bij jongeren: toename en betekenis

Non-binaire genderidentiteit — het gevoel noch man noch vrouw te zijn — is de snelst groeiende categorie in genderidentiteitssurveys onder jongeren. In sommige cohorten beschrijft meer dan de helft van de jongeren die worden verwezen naar genderklinieken zichzelf als non-binair. De medische implicaties zijn complex: vraagt een non-binaire identiteit om medische behandeling, en zo ja, welke?

Lees meer →

Veelgestelde vragen over de cijfers

Waarom lopen de cijfers over transspijt zo uiteen?

Omdat onderzoekers verschillende dingen meten en verschillende groepen volgen. De ene studie telt alleen operatief herstel, de andere iedereen die met hormonen stopt. Ook verschillen follow-upduur en de definitie van spijt of detransitie sterk.

Wat betekent loss to follow-up?

Dat deelnemers in de loop van de tijd uit het onderzoek verdwijnen: ze keren niet terug naar de kliniek of zijn niet meer te bereiken. Wie spijt heeft of detransitioneert, doet dat bovendien vaak niet bij dezelfde kliniek, waardoor officiele tellingen het verschijnsel onderschatten.

Waarom onderschatten korte studies spijt en detransitie?

Spijt en de stap naar detransitie komen vaak pas na vijf tot tien jaar of langer. Onderzoek met een korte follow-upduur mist die latere gevallen, waardoor het percentage lager uitvalt dan op de lange termijn.

Zijn lage spijtcijfers van klinieken betrouwbaar?

Ze moeten met de methode erbij gelezen worden. Klinische cohorten bestaan vooral uit mensen die in zorg bleven; wie afhaakte ontbreekt. Een laag percentage kan dus net zo goed wijzen op een korte follow-up of een enge definitie als op weinig spijt.